- Beschrijven wat structurele/conceptuele modellen zijn.
Structurele/conceptuele modellen laten zien hoe de onderzoeker verwacht dat de variabelen in een studie samenhangen. Structureel model bevat alleen de constructen met hun verwachte samenhang en de operationalisaties worden achterwege gelaten. - Uitleggen hoe meetmodellen zich tot structurele/conceptuele modellen verhouden.
Terwijl een meetmodel de operationalisatie van een variabele illustreert, laat een structureel model zien hoe de onderzoeker verwacht dat de variabelen in een studie samenhangen. Een structureel model bevat juist alleen de constructen met hun verwachte samenhang en de operationalisaties worden achterwege gelaten. Net als meetmodel bestaat een structureel model uit ovalen en/of rechthoeken die worden verbonden met pijltjes. - Herkennen of een model een meetmodel is of een structureel/conceptueel model.
De conventie is om in meetmodellen en structurele modellen de variabelen die rechtstreeks gemeten of gemanipuleerd worden, de zogenaamde indicatoren, te verbeelden met rechthoeken en de onderliggende variabelen met ovalen. De pijltjes geven de richting van een verband aan. Een pijltje met twee pijlpunten (bidirectioneel) geeft een verband tussen de twee variabelen aan, maar het is niet bekend of deze elkaar beïnvloeden. Als een pijltje maar één pijlpunt heeft, heeft de ene variabele invloed op de andere variabele. Er wordt dan gesproken over een causaal verband. - Beschrijven wat een cross-sectioneel design is.
Als alle data per onderzoekseenheid (bijvoorbeeld een deelnemer) in één sessie worden verzameld, wordt gesproken van een cross-sectioneel design. - Beschrijven wat een longitudinaal design is.
Als er per onderzoekseenheid meerdere meetmomenten zijn, bijvoorbeeld als alle deelnemers na een maand een tweede vragenlijst invullen, is er sprake van een longitudinaal design. - Beschrijven wat een observationeel design is.
Bij een observationeel design worden twee of meer variabelen gemeten, maar is er geen sprake van een manipulatie. De deelnemers worden dus niet beïnvloed. - Beschrijven wat een experimenteel design is.
Een experimenteel design bevat een of meerdere manipulaties en deelnemers worden dus beïnvloed. Een experimenteel design, of simpelweg experiment, is nodig om conclusies te trekken over de vraag of variabelen elkaar beïnvloeden, dat wil zeggen of er een causaal verband bestaat. - Beschrijven wat attritie is.
Een groot nadeel van longitudinale designs is dat er in de praktijk op elk meetmoment mensen kunnen uitvallen (dit heet attritie). Als deze uitval willekeurig is, betekent het dat er meer deelnemers geworven moeten worden bij het begin van de studie dan er uiteindelijk nodig zijn. - Beschrijven wat randomisatie is.
Randomisatie: elke onderzoekseenheid (meestal een deelnemer) wordt willekeurig toegewezen aan één van de groepen in het experiment. - Beschrijven wat controle en experimentele condities zijn.
In een experiment met twee condities krijgt één groep meestal de manipulatie waar de interesse naar uitgaat. De andere groep krijgt simpelweg een gematchte manipulatie zodat het enige verschil met de conditie van interesse de afwezigheid van de gemanipuleerde variabele is. Een vergelijkingsconditie wordt vaak de controleconditie genoemd. De conditie waar de interesse naar uitgaat, heet de experimentele conditie. - Beschrijven wat matching van condities is.
De term matching wordt gebruikt voor het genereren van condities die in alle opzichten behalve de gemanipuleerde situaties hetzelfde zijn, maar ook voor het genereren van groepen deelnemers die op bepaalde factoren gelijk zijn (zoals zelfde leeftijdsverdeling of man-vrouwverhouding). Het doel van matching is het invloed van confounders uitsluiten. - Beschrijven wat blindering en dubbel-blindering is.
Niet aan deelnemers vertellen in welke conditie ze zijn ingedeeld heet blindering. Als deelnemers niet weten in welke conditie ze zijn ingedeeld en bovendien niet beïnvloed kunnen worden door onderzoekers, heet het design dubbelblind. - Beschrijven wat een quasi-experiment is.
Een relatief veel voorkomend voorbeeld is wanneer er interesse is in het effect van variabelen die niet te manipuleren zijn. Een quasi-experiment is een studie waarbij deelnemers ingedeeld worden in groepen op basis van gemeten variabelen, zoals geslacht, leeftijd, extraversie of het geslacht van hun docent. - Beschrijven hoe de verschillende soorten designs zich tot elkaar verhouden.
De belangrijkste kenmerken van een design zijn of het cross-sectioneel of longitudinaal is, en of het observationeel of experimenteel is. Longitudinale designs zijn nodig als een theorie wordt onderzocht die processen beschrijft die binnen onderzoekseenheden (zoals deelnemers) plaatsvinden. Experimentele designs zijn nodig als een theorie wordt onderzocht die invloed of causaliteit veronderstelt. Voor de vraag of twee variabelen met elkaar samenhangen, volstaat een cross-sectionele observationele studie. - Beschrijven wat onderzoeksvragen zijn.
Een onderzoeksvraag is de vraag waarop onderzoekers antwoord willen geven. Bijna altijd gaat het om de vraag naar het verband tussen twee (of meer) variabelen. - Uitleggen hoe onderzoeksvragen en designs samenhangen.
De onderzoeksvraag en het onderzoeksdesign (onderzoeksopzet) vormen de kern van elk wetenschappelijk onderzoek en hangen onlosmakelijk met elkaar samen: de onderzoeksvraag bepaalt de richting, en het design bepaalt de route om er te komen. Een heldere onderzoeksvraag ( is noodzakelijk om te bepalen of je observationeel of experimentele onderzoek nodig heb. - Beschrijven wat hypothesen zijn.
Een hypothese is een onderzoeksvraag die geformuleerd is als een stelling met een specifieke verwachting van de onderzoekers. - Beschrijven wat doelstellingen zijn en uitleggen hoe doelstellingen, onderzoeksvragen en hypothesen zich tot elkaar verhouden
De doelstelling schetst de brede intentie van de studie (bijv. “verkennen”, “vergelijken”, “evalueren”). Het formuleren van onderzoeksvragen en hypothesen gebeurt niet in een vacuüm. Onderzoek dient meestal een doel. Sterker nog, het gegeven dat onderzoek gebruikt maakt van schaarse bronnen zoals deelnemers – en vaak ook gemeenschapsgeld – zorgt ervoor dat onderzoekers een verantwoordelijkheid hebben om zinvol onderzoek te doen. Beantwoording van onderzoeksvragen en hypothesen moet dus vaak, desnoods (heel) indirect, bijdragen aan maatschappelijke doelen. Het is belangrijk dat de onderzoekers in het achterhoofd houden welke doelstellingen een studie uiteindelijk heeft. - Uitleggen wat onafhankelijke variabelen, voorspellers of covariaten zijn
De onafhankelijke variabele (causale antecedent, voorspellers, covariaten) is de oorzaak. De waarde van de variabele is onafhankelijk van andere variabelen in je onderzoek. Dit is het type variabele dat je kunt manipuleren. - Uitleggen wat afhankelijke variabelen of criteria zijn.
De afhankelijke variabele (causale consequent, criterium) is het gevolg. De waarde is afhankelijk van veranderingen in de onafhankelijke variabele. De afhankelijke variabele verandert dus als gevolg van je gemanipuleerde onafhankelijke variabele.
OUR TOP post
3. Univariatie analyse
Uitleggen wat meetniveaus zijn.Datapunten en datareeksen worden onderverdeeld in verschillende…
2. Modellen, designs en onderzoeksvragen
Beschrijven wat structurele/conceptuele modellen zijn.Structurele/conceptuele modellen laten zien hoe de…
1. Basisconcepten: Onderzoekspracticum inleiding onderzoek
Beschrijf waarom wetenschap wordt beoefend.Om de werkelijkheid in kaart te…
Sigmund Freud: Metapsychology and the defense mechanisms
Freud referred to his theoretical models of the mind (or…

0 Comments